Factoren die woon-werkverkeer beïnvloeden

Het is duidelijk dat de auto het voornaamste verplaatsingsmiddel blijft voor woon-werkverkeer. Om de transitie naar duurzamer woon-werkverkeer te maken brengen we in kaart welke factoren de keuze van de werknemer beïnvloeden.

We splitsen die op in 4 groepen factoren:

  • werklocatie
  • bedrijfssector en bedrijfscultuur
  • gevoerde mobiliteitsbeleid binnen de onderneming
  • individuele kenmerken van de werknemer.

Hieronder gaan we dieper in op elke groep.

Werklocatie

De route bepaalt welke mogelijkheden de werknemer heeft voor haar of zijn woon-werkverkeer. Die route wordt bepaald door enerzijds de ligging van de woning (die meestal anders is voor elke werknemer, zie verder) en de werklocatie (bepaald door de werkgever).

Stedelijk of landelijk

De urbanisatiegraad is waarschijnlijk de belangrijkste factor die de modal split van het woon-werkverkeer beïnvloedt. Daarvoor zijn verschillende oorzaken.

In een stad is er een grotere dichtheid, zowel van inwoners (werknemers) als van tewerkstellingsplaatsen. Dat resulteert in een grotere nabijheid van tewerkstellingsplekken en bijgevolg een groter aandeel van active modi (stappen en trappen).

Daarnaast is er een dichter netwerk van openbaar vervoer, met een hogere capaciteit, frequentie en amplitude.

De auto heeft het dan weer moeilijker in en rond de stad: het tijdverlies door congestie is er groter en het aantal parkeerplaatsen is er beperkter dan in landelijke gebieden.

Image
Bron: Federale diagnostiek

Nabijheid

Het voetgangers- en fietsersaandeel is hoger naarmate werknemers dichter in de buurt van de onderneming wonen.

Image
Bron: federale diagnostiek

Bereikbaarheid met openbaar vervoer

De federale diagnostiek woon-werkverkeer geeft duidelijk aan dat de bereikbaarheid met het openbaar vervoer in belangrijke mate de modal split bepaalt. Bij een grote toegankelijkheid (centrum Brussel) gebruikt meer dan 60% van de werknemers het openbaar vervoer. Het aandeel openbaar vervoer neemt af naarmate het aanbod vermindert.

Image
Bron: federale diagnostiek

Aanwezigheid parkeergelegenheid

Meer dan 9 op 10 van de werknemers (cijfers OVG 5.3) die met de auto naar het werk gaan vinden zonder problemen parkeerruimte in de buurt van hun vaste werkplaats. Slechts 2,75% vindt met veel moeite een parkeerplaats. In 95% van de gevallen moet niet betaald worden voor een parkeerplek.

Wanneer niet-autobestuurders/passagiers bevraagd worden, blijkt dat slechts 70% (69,15%) zonder problemen een parkeerplaats zou vinden en dat een op vier (23,95%) zou moeten betalen voor een parkeerplaats.

Het al dan niet beschikken over een (gratis) parkeerplaats beïnvloedt sterk de keuze voor het vervoermiddel. Het is evenwel ook mogelijk dat mensen die in een stad werken (en dus moeilijker een (gratis) parkeerplaats vinden) meer alternatieven hebben voor de auto en/of dichter bij hun werkplaats wonen.
 
Het invoeren van betalend parkeren op het terrein van de onderneming zorgt voor afname van het wagengebruik, terwijl overdekte fietsenstallingen een stimulans zijn voor het fietsgebruik, blijkt uit de Federale diagnostiek.

Bedrijfssector en bedrijfscultuur

Verschillende factoren spelen een rol bij de invloed van de bedrijfssector en bedrijfscultuur op de woon-werkverplaatsing. Overheidsbedrijven liggen vaker op locaties die met het openbaar vervoer goed bereikbaar zijn. Lokale overheden werven vooral mensen uit de eigen gemeente aan wat resulteert in een hogere nabijheid.

Industriële bedrijven liggen dan weer verder van de woonplaats van de werknemer. Bedrijven die in een ploegenarbeidsysteem werken zitten met een bijkomende drempel voor het gebruik van openbaar vervoer. Thuiswerken is in de industrie meestal geen optie.

In een aantal sectoren zoals banken, bouw, gespecialiseerde activiteiten (onderzoek, …) en de sectoren informatie en communicatie beschikt 45% van de werknemers over een bedrijfswagen. Bij overheden, in het onderwijs of in de gezondheidszorg worden bijna nooit bedrijfswagens ter beschikking gesteld.

Hoogtechnologische of gespecialiseerde bedrijven trekken dan weer werknemers uit een bredere regio aan.

Ook afspraken rond het mobiliteitsbeleid binnen een sector bepalen het mobiliteitsgedrag (zie verder). In bepaalde sectoren is een salariswagen een standaard vorm van verloning.

Image
Bron: federale diagnostiek

Mobiliteitsbeleid binnen de onderneming

Het mobiliteitsbeleid bepaalt in sterke mate hoe de werknemers zich verplaatsen. Een onderneming die elke werknemer een salariswagen met tankkaart aanbiedt zal een hoger aandeel auto in de modal split hebben ten opzichte van werkgevers die enkel duurzame vervoermiddelen stimuleren.
 
Werkgevers nemen steeds vaker maatregelen om het woon-werkverkeer van hun werknemers te verduurzamen.

Image
Bron: federale diagnostiek

Opvallend is dat Brusselse werkgevers meer maatregelen nemen om duurzaam woon-werkverkeer aan te moedigen. Dit heeft verschillende mogelijke verklaringen. Enerzijds is er de verplichting voor bedrijven met meer dan 100 werknemers om bedrijfsvervoerplannen op te stellen waarin een aantal maatregelen vervat zitten. Anderzijds is er de grotere mobiliteitsproblematiek in en rond Brussel, zowel naar congestie als parkeren, maar ook de betere bereikbaarheid met het openbaar vervoer.

Hieronder bespreken we de elementen van een mobiliteitsbeleid binnen de onderneming.

Bedrijfs- en salariswagen

Volgens SD Worx voelt meer dan de helft van werkgevers zich zelfs verplicht om een salariswagen aan te bieden om de concurrentie met sectorgenoten aan te kunnen (Op weg naar slimmere mobiliteit, e-boek SD Worx). Bij 8 op de 10 grote bedrijven zit de bedrijfswagen automatisch in het salarispakket.

Cash for car

Sinds maart 2018 bestaat de mobiliteitsvergoeding of cash for car. Met deze maatregel wou de overheid het aantal salariswagens op de weg verminderen. Concreet kunnen werknemers hun (recht op een) bedrijfswagen inruilen voor een vrij te spenderen som geld. De impact van deze maatregel bleek heel beperkt.

Mobiliteitsbudget

Sinds 1 maart 2019 is er een wettelijk kader voor de invoering van een mobiliteitsbudget.
Het mobiliteitsbudget stimuleert gebruikers van een bedrijfswagen om zich op een duurzamere manier te verplaatsen en maakt het mogelijk om verschillende verplaatsingsoplossingen te combineren.
Bedrijven kunnen met het mobiliteitsbudget werknemers met een bedrijfswagen (of werknemers die in aanmerking komen voor een bedrijfswagen) een mobiliteitsoplossing op maat aanbieden. Het mobiliteitsbudget is op milieuvriendelijkere keuzes gebaseerd, waarbij de werknemer kan kiezen tussen verschillende mobiliteitsvormen.

Carpoolen

Een interne of externe carpooldatabank is noodzakelijk om carpoolen te stimuleren. Een randvoorwaarde is dat er voldoende werknemers moeten zijn die een gelijkaardig deel van het traject van en naar het werk afleggen. Dit is vooral geschikt voor grote werkgevers, maar ook voor een samenwerking tussen verschillende werkgevers op een zelfde locatie.

Collectief vervoer

Collectief vervoer wordt vaak georganiseerd door zeer specifieke ondernemingen, zoals bouwondernemingen.

Terugbetaling openbaar vervoer

Een tussenkomst in een abonnement voor het openbaar vervoer (“het sociaal abonnement”) stimuleert werknemers om de auto te laten staan. De werkgever betaalt geen sociale bijdragen.
De spelregels zijn afhankelijk van het type openbaar vervoer.
Als de werknemer met de trein naar het werk gaat is de werkgever wettelijk verplicht een deel van het abonnement terug te betalen. Er is geen minimumafstand vastgelegd. De tussenkomst bedraagt gemiddeld 75%.
Als de werknemer met bus, tram of metro gaat werken komt de werknemer pas in aanmerking voor een sociaal abonnement als hij minstens 5 km (enkele reis) moet afleggen (binnen een cao kan een lagere of geen minimumafstand bepaald zijn).
Door middel van een derdebetalersregeling kan de werkgever ervoor zorgen dat de werknemer een gratis trein- of openbaarvervoerabonnement krijgt. In het geval van een treinabonnement betaalt de werkgever minstens 80% van de prijs van het abonnement, de overheid past maximaal 20% bij.

Fietsvergoeding

Werkgevers kunnen hun werknemers een belastingvrije fietsvergoeding van maximaal 0,24 euro per gefietste kilometer uitbetalen. Sinds 1 januari 2019 telt deze vrijstelling voor alle fietsen: stadsfiets, mountainbike, racefiets, gewone elektrische fiets (tot 25 km/uur) én de speed pedelec (tot 45 km/uur) … De werkgever kan de fietsvergoeding inbrengen als 100% aftrekbare bedrijfskosten.
89% van de Vlaamse werknemers kan van zijn werkgever een fietsvergoeding krijgen (cijfers Federale diagnostiek rapport 2017).

Bedrijfsfiets

Bedrijfsfietsen zijn fiscaal voordelig: ze zijn tot en met aanslagjaar 2020 120% fiscaal aftrekbaar (inclusief de inrichting van fietsenstallingen en kosten voor onderhoud en herstelling). Vanaf aanslagjaar 2021 zijn de kosten 100% aftrekbaar.
17% van de Vlaamse werknemers komt in aanmerking voor een bedrijfsfiets (cijfers Federale diagnostiek rapport 2017).

Thuis- en telewerk

Telewerk is niet mogelijk voor alle soorten werk. Kantoorwerk laat het best telewerk toe, in het onderwijs of de gezondheidszorg is telewerk (meestal) niet mogelijk.

Glijdende uren

Een flexibele werktijdregeling of glijdende uren is vaak een goede oplossing om de spits te ontwijken of voor een betere bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Een groot voordeel van glijdende uurroosters is een betere combinatie van werk- en privéleven.

Mobiliteitscoördinator en bedrijfsvervoerplannen

De verplichte Brusselse bedrijfsvervoerplannen leren dat het verspreiden van informatie en sensibiliseren over duurzaam woon-werkverkeer belangrijk is om enerzijds een gedragsverandering bij de werknemers te realiseren en anderzijds ook de werkgevers aan te zetten om maatregelen te nemen om die gedragsverandering te ondersteunen.

Individuele kenmerken van de werknemer

Heel veel verschillende individuele kenmerken bepalen het woon-werkverkeer door de werknemer. De belangrijkste factor is uiteraard waar de werknemer woont, maar ook andere, soms subjectieve elementen (status, het weer …), spelen een rol.

Woonlocatie

Net als de locatie van de tewerkstellingsplek heeft de locatie van de woning een belangrijke impact. Afstand van de werkplek en toegang tot openbaar vervoer bepalen of de werknemer alternatieve mogelijkheden heeft. 
In vergelijking met het buitenland zijn Belgen minder geneigd te verhuizen omwille van hun werk. Een van de oorzaken is de baksteen in onze maag, een cultureel fenomeen gekenmerkt door een hogere eigendomsgraad en een sterkere band met de omgeving waarin we opgroeiden.

Image
Bron: SD Worx

Geslacht

De kloof in mobiliteitsgedrag tussen mannen en vrouwen verkleint, dat bevestigt ook de Federale diagnostiek (cijfers 2014 en 2017). Zowel vrouwen als mannen evolueerden naar meer duurzame vervoermiddelen. Opmerkelijk is wel het verschil tussen de gewesten. In Vlaanderen gaan ongeveer evenveel vrouwen als mannen met de fiets naar het werk, in Wallonië fietsen mannen 3 keer vaker naar het werk dan vrouwen. Elementen als reliëf maar ook sociale aanvaardbaarheid en veiligheid spelen daarbij een belangrijke rol.

Individualisering

De individualisering van de maatschappij vertaalt zich ook in ons mobiliteitsgedrag. Carpoolen neemt af (naast individualisering heeft dit ook andere oorzaken: meer telewerken, glijdende uren, type werk: het einde van Ford Genk alleen al zorgde voor een daling van 5,7% carpoolers in Vlaanderen).

Voor woon-werkverkeer zitten we vaak alleen in de wagen, gemiddeld zitten er 1,05 personen in een wagen.

Image
Bron: OVG

Ketenverplaatsing

Een ketenverplaatsing is een verplaatsing waarbij men op één rit meerdere motieven heeft.

Voor woon-werkverplaatsingen wil dat bijvoorbeeld zeggen dat de kinderen op de heenrit begeleid of afgezet worden op school en dat je tijdens de terugrit nog even de winkel binnenspringt voor boodschappen.

Deze ketenverplaatsing zijn vaak een drempel voor duurzaam woon-werkverkeer. Je stapt niet even uit de bus voor boodschappen als er maar één bus per uur is. Op de fiets is er niet altijd voldoende ruimte voor boodschappen en kinderen.

Een mogelijke oplossing voor ketenverplaatsing is de uitbouw van multifunctionele en multimodale knooppunten, denk bijvoorbeeld aan de winkel of crèche aan het station.

Rijbewijsbezit

Wie geen rijbewijs heeft, heeft 72% minder kans om een job te vinden. Het is dus belangrijk rekening te houden met individuele kenmerken bij het uitstippelen van een mobiliteitsaanbod: vaak zijn mensen zonder rijbewijs ook lager geschoold, maar net de jobs waar zij voor in aanmerking komen bevinden zich op grote industrieterreinen buiten steden, die met openbaar vervoer moeilijk bereikbaar zijn.
Onderzoek van Koos Fransen geeft aan dat individuele kenmerken naast locatiekenmerken enorm belangrijk zijn voor het realiseren van bereikbaarheid.