Just Transition

Vanya VerschooreEnergie, Financiering van de transitie, groene jobs, Klimaat, Recent, Rechtvaardige transitie, Werknemersparticipatie

Image

Het allerlaatste IPCC-rapport van klimaatexperten, dat in oktober 2018 verscheen, heeft nog maar eens de puntjes op de i gezet. Willen we de leefbaarheid op aarde voor onze kinderen garanderen, dan mag de aarde niet meer opwarmen dan anderhalve graad celsius. Alles daarboven leidt tot wijzigingen waarvan we de gevolgen niet kunnen overzien, zoals een stijging van de zeespiegel met zes tot acht meter. Om de opwarming te beperken, hebben we nog maar twintig jaar. In die twee decennia moeten we af van onze verslaving aan fossiele brandstoffen, volledig overschakelen naar hernieuwbare energie en een heel nieuwe sociale kringloopeconomie op poten zetten.

Deze enorme uitdaging – systeemverandering in plaats van klimaatverandering - is geen neutrale operatie. Ze situeert zich binnen bestaande machtsverhoudingen en geopolitieke belangen. Het is dus belangrijk de juiste vragen te stellen. Wie stuurt bijvoorbeeld de noodzakelijke veranderingen en in welk wereldbeeld passen ze? Wie krijgt het woord en wie niet? De eerste minister van Fiji verwoordde het in aanloop van de klimaattop in Bonn (2017) op deze manier: “We who are most vulnerable must be heard, whether we come from the Pacific or other Small Island Developing States, other low lying nations and states or threatened cities in the developed world like Miami, New York, Venice, or Rotterdam.”

Klimaatbeleid is ook een kwestie van rechtvaardigheid. We zitten nu in de situatie dat die landen die het minst hebben bijgedragen tot de uitstoot van broeikasgassen, het sterkst zullen worden getroffen door de klimaatverandering. Een duidelijk voorbeeld van ecologische onrechtvaardigheid.
Bij gesprekken over de klimaataanpak mogen niet alleen de lidstaten aan tafel zitten. Ook heel wat steden, bedrijven, milieu- en sociale organisaties, dragen concreet bij tot de bescherming van ons klimaat. Het zijn cruciale actoren om tot een effectief beleid te komen. Elk van deze actoren ontwikkelde instrumenten en netwerken om een bijdrage te leveren. Zo sloten heel wat steden en gemeenten zich aan bij het zogenaamd ‘burgemeestersconvenant’, wat het engagement inhoudt om een daadkrachtig klimaatbeleid te voeren. Ook de vakbeweging nam initiatief en ontwikkelde een raamwerk onder de noemer ‘Just Transition’: het omvat een ​​reeks sociale voorwaarden die nodig zijn om de banen en het levensonderhoud van werknemers en gemeenschappen te waarborgen als economieën overschakelen naar een duurzame productie.

Image

Frank Bainimarama, eerste minister van Fiji, op de klimaattop in Bonn (2017): “We who are most vulnerable must be heard, whether we come from the Pacific or other Small Island Developing States, other low lying nations and states or threatened cities in the developed world like Miami, New York, Venice, or Rotterdam.”

Door het werk van Sharan Burrow, een Australische syndicaliste, en huidige secretaris-generaal van het internationaal vakverbond (IVV) werd dit een essentieel raamwerk voor de transitiebeweging. Haar uitspraak ‘There are no jobs on a dead planet’ werd hier zowat het symbool van.

De term ‘Just Transition’ werd in de voorbije jaren overgenomen door verschillende andere organisaties en netwerken zoals Friends of the Earth, WWF en Greenpeace. Op nationaal vlak vormt het een inspiratie voor organisaties als Arbeid & Milieu, Oikos, Transitie Netwerk Middenveld en de Klimaatcoalitie.

Hoe is deze term ontstaan?

De term ‘Just Transition’ of vertaald ‘Rechtvaardige Transitie’ ontstond eind de jaren ‘90 in de schoot van de vakbond. De term werd voor het eerst gebruikt in 1998 door een Canadese vakbondsmilitant, Brian Kohler, die besefte dat arbeid en milieu te veel als elkaars tegenpolen werden gezien. Hij schreef letterlijk: “The real choice is not jobs or environment. It is both or neither.” In deze periode werden vakbonden nogal vaak, misschien ook terecht, gezien als tegenpool van de milieubeweging: ‘wie wil werken aan duurzaamheid, zet jobs op het spel’. Maar dat hoeft zo niet te zijn. Op een dode planeet is er geen werk en dus heeft ook de arbeidersbeweging belang bij een duurzame omwenteling.

Vanaf 2009 werd het concept ‘just transition’ verder uitgewerkt en uitgepuurd. In 2013 werden conclusies hieromtrent overgenomen door ILO (International Labour organisation van de VN) en werd in samenwerking met vakbonden, werkgevers en overheden een richtlijn uitgebracht rond deze rechtvaardige transitie. In het klimaatakkoord van Parijs (2015) wordt hier ook naar gerefereerd.

Kerngedachte en krijtlijnen

De gemeenschappelijke drager van deze unieke samenwerking is het uitgangspunt dat investeren in een ‘duurzame economie’ heel wat nieuwe werkgelegenheid zal creëren. Het ILO  gaat uit van meer dan 60 miljoen jobs wereldwijd1.

Enerzijds moeten we naar een koolstofarme economie met veerkrachtige gemeenschappen. Daarnaast leeft het besef dat periodes van grote veranderingen in het verleden vaak chaos teweeg brachten, waarbij arbeiders, families en lokale gemeenschappen de dupe waren. De beweging rond ‘Just Transition’ wil deze chaos vermijden door duidelijke krijtlijnen aan te bieden aan verschillende actoren en proactief de transitie mee te faciliteren door o.a. het oprichten van het ‘Just Transition Centre’ in de schoot van het ITUC (International Trade Union Confederation). Beseffende dat iedere transitiecontext anders is, merken we toch een vijftal beleidslijnen die overal toepasbaar zijn:

  1. Voldoende financiering en investeringen in sectoren en gebieden die een transitie moeten doormaken. Deze gebeuren in overleg met al wie hierbij betrokken is. Het respecteren van de mensenrechten en ook arbeidsrecht, naast principes rond werkbaar werk worden niet in vraag gesteld. Hier wordt ook extra aandacht gevraagd voor kwetsbare landen;
  2. Sociaal overleg en een democratische raadpleging van de sociale partners en stakeholders (vakbonden, werkgevers, lokale gemeenschappen).
  3. Voldoende wetenschappelijk onderzoek en inschatting van de sociale en werkgelegenheidsimpact van de voorgestelde transities;
  4. Sociale bescherming, samen met actief arbeidsmarktbeleid;
  5. Degelijke lokale planning voor economische diversificatie die werkbaar werk ondersteunt en de gemeenschap stabiliteit biedt bij de transitie. Geen enkele gemeenschap mag aan zijn lot overgelaten worden, omdat dit niet zal leiden tot een eerlijke verdeling van kosten en baten.

Just transition = betere jobs?

In de economie staan sommige sectoren voor een radicale transformatie, daarnaast zullen er nieuwe sectoren en beroepen ontstaan. Het is en zal een uitdaging zijn om over de kwaliteit van deze nieuw gecreëerde jobs te waken. Uit gesprekken met vakbondsafgevaardigden blijkt dat heel wat bedrijven zeker inspanningen leveren om hun bedrijf op een duurzamere weg te zetten. Helaas worden sommige maatregelen vaak doorgevoerd zonder overleg met de medewerkers, met sociale onrust tot gevolg. Het voormalig mijnbouwbedrijf Umicore bijvoorbeeld, wordt vaak, terecht, aangehaald als één van de wereldwijde koplopers in het recycleren van zeldzame metalen. De overgang van de organisatie van een klassiek mijnbouwbedrijf naar een materiaaltechnologie bedrijf met focus op het recycleren van zeldzame metalen, verliep echter niet geheel op rolletjes enkele tientallen jaren geleden. Als gevolg van de herstructurering moesten bij Umicore Hoboken veel medewerkers op brugpensioen. Hierdoor verdween heel wat knowhow en kennis plots van de werkvloer. Op verschillende afdelingen kwam men hierdoor in de problemen om de productie gaande te houden. Daarnaast zorgde ook de omschakeling naar nieuwe technologieën voor problemen rond veiligheid en gezondheid. Zo waren er explosies aan de nieuwe smelter omdat men de technologie nog niet voldoende onder controle had. Deze onaanvaardbare gevolgen ontstonden door een gebrek aan overleg en opleiding van het personeel in combinatie met het vertrek van de meer ervaren collega’s. Sectoraal en lokaal sociaal overleg zijn hier onmisbaar, maar moeten in de nieuwe sectoren vaak nog helemaal opgebouwd worden.

“Uit gesprekken met vakbondsafgevaardigden blijkt dat heel wat bedrijven zeker inspanningen leveren om hun bedrijf op een duurzamere weg te zetten. Helaas worden sommige maatregelen vaak doorgevoerd zonder overleg met de medewerkers, met sociale onrust tot gevolg.”

“Groene vaardigheden”

De nieuwe jobs zullen niet dezelfde zijn als de jobs die zullen verdwijnen in de zwaar vervuilende sectoren. We moeten ons als samenleving klaarmaken om werknemers om te scholen, want er zullen nieuwe profielen en competenties nodig zijn. Hier spreken we van groene competenties of vaardigheden. Denk hierbij aan een industrieel elektricien die een omscholing nodig heeft tot een manager hernieuwbare energie. De sectorale opleidingsfondsen moeten hier klaar staan om die rol in te vullen. Vakbonden kunnen hier een rol spelen, daar ze paritair beheerd worden door zowel vertegenwoordigers van zowel werknemers als werkgevers.

Image

Foto ©lorc.dk

De ‘Odense Steel’ scheepswerf in Lindoe, Denemarken, was vroeger één van de grootste scheepswerven in Europa. Als gevolg van de economische crisis werd het bedrijf in 2012 opgedoekt. Hiermee kwamen 8000 jobs op de helling te staan. Al snel werd duidelijk dat offshore hernieuwbare energie een opkomende sector was waarmee veel jobs gecreëerd konden worden. Mede onder druk van de vakbonden bleef men niet bij de pakken zitten en werd de focus van het bedrijf verlegd. Lindoe bleek een geschikte plek voor een ommezwaai naar deze sector, mede doordat de nodige structuur aanwezig was: dokken, productie- en opslagfaciliteiten, kranen, transport,... Met een minimum aan bijkomende opleiding konden de ontbrekende competenties worden ingevuld. Op deze manier werd een succesvolle omwenteling van scheepsbouw naar offshore gerealiseerd. Jobs bleven behouden, er bleef werkgelegenheid in de regio en de bedrijvigheid zorgt voor een omslag naar hernieuwbare energie. 

Conclusie en toekomstverkenning

De rol van werknemers, hun vertegenwoordigers en de lokale gemeenschap die ze vertegenwoordigen kan niet overschat worden.

Toch zien we dat er op vandaag onvoldoende vooruitgang wordt geboekt in het klimaatbeleid en dat quasi over heel de wereld. Daarom is het noodzakelijk dat we verder kijken dan enkel het reduceren van emissies van broeikasgassen. Door de brede socio-economische context mee te nemen maken we veel meer kans op vooruitgang. Een draagvlak creëren voor een maatschappelijke omwenteling doe je niet met een technisch verhaal, het gaat om het creëren van een toekomstvisie waarin iedereen zicht krijgt op een goed leven, waar vrijheid en zekerheid hand in hand gaan. Dat betekent onder meer dat werknemers en hun families de garantie moeten krijgen op een waardige job en een waardig leven waarbij de noodzakelijke klimaatmaatregelen worden genomen.

“Het is noodzakelijk dat we verder kijken dan enkel het reduceren van emissies. Door de brede socio-economische context mee te nemen maken we veel meer kans op vooruitgang.”

De transitie zal enkel slagen als iedereen in de samenleving ziet dat het om faire maatregelen gaat, dat het de ongelijkheid niet vergroot maar integendeel leidt tot een meer rechtvaardige samenleving.

Deze grote uitdaging vertaalt zich in heel concrete vragen waarop we samen de antwoorden moeten zoeken. Het gaat om vragen als: wat werkt en wat werkt niet in de transitie naar een koolstofarme samenleving? Hoe gaan we ons aanpassen aan de gevolgen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat groepen die het moeilijk hebben in de samenleving, er sterker uit komen? Dat we rekening houden met de toenemende diversiteit in onze samenleving?

Image

Dit is een opdracht voor alle maatschappelijke actoren. Zo zullen vakbondsvertegenwoordigers uit heel de wereld toezien of de engagementen uit het klimaatakkoord van Parijs, waarin gepleit wordt voor “een rechtvaardige transitie voor werknemers, creatie van waardig werk en kwaliteitsvolle jobs”, in de praktijk worden gezet. Dat politiek engagement moet nu omgezet worden in nationale klimaatplannen en financieringsplannen. De impact op tewerkstelling moet berekend worden, maatregelen moeten voorzien worden voor getroffen sectoren en de rol van het sociale zekerheidssysteem moet bekeken worden. In elk klimaatplan moet er een hoofdstuk over “een rechtvaardige transitie” komen.

Vanya Verschoore, Arbeid & Milieu vzw & Dirk Holemans, Oikos

  1. https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---europe/---ro-geneva/---ilo-brussels/documents/publication/wcms_614024.pdf